Oosterleek, het dorp

Oosterleek bestaat voornamelijk uit één bochtenrijke weg met aan beide zijden lintbebouwing met daarachter weilanden, akkers en aan de zuidzijde ook een boomgaard en rietlandjes. De weg slingert mee met de watergang die achter de woningen en bedrijven aan de noordzijde ligt.

4.Het dorpscentum [foto Boekweit en Olie]

Door zijn bochtigheid en zijn afwisseling in begroeiing en openheid is deze weg goed voor een aantal fraaie dorpsgezichten. Aan het einde loopt hij op naar de dijk langs het IJssel-[preciezer gezegd: Marker]meer. Alsje vanaf de T-splitsing in noordelijke richting over de dijk gaat, passeer je een paar woningen waarvan de voorgangers al vanouds tot het dorp hebben behoord. De vroegere bebouwing langs de dijk in zuidelijke richting is verdwenen en waar de dijk een nagenoeg haakse bocht maakt, staat het vuurtorentje, dat op topografische kaarten uit de negentiende en twintigste eeuw “Lantaarn” of “Licht” wordt genoemd. Vanaf de dijk aan de zuidzijde krijg je een schilderachtig panorama te zien met het kerktorentje, met her en der daken van grotendeels tussen het groen verscholen huizen. In 2013/2014 werden aan de dijk archeologische opgravingen verricht waaruit werd afgeleid dat het dorp vroeger voor een gedeelte door de Zuiderzee is opgeslokt. De Lekerhaven lag in het verleden op het voorland langs de dijk in noordelijke richting.
Bestuurlijk is Oosterleek vanaf de middeleeuwen steeds gekoppeld geweest aan een of meer dorpen in de buurt.
Het was een agrarische gemeenschap, maar er woonden ook vissers en zeelui. Wie de boerenstiel uitoefende heette eeuwenlang ‘landman’, ‘bouwman’ of ‘veeman’; daarnaast kende het dorp flexwerkers die destijds ‘werkman’ of ‘dagloner’ werden genoemd, en waarschijnlijk een tweede beroep op zee uitoefenden.
Tussen 1650 en 1807 had de Oosterleekse kerk een eigen predikant; en de ‘onderwijzer der jeugd’ zal ook in dit dorp wel de functie van schoolhouder, en van voorzanger en koster in de kerk hebben gehad.
In de negentiende eeuw was er een dorpscafé op het hoekje aan de dijk, met de uitnodigende naam “De Wellekomst”, later werd naast de kerk “De Nieuwe Aanleg” gebouwd, en die naam nodigt evenzeer uit tot een onderbreking van de reis of tocht.
Een winkelier verkocht kleine dagelijkse benodigdheden, als band en garen, en ook levensmiddelen waarin de dorpsgenoten niet zelfvoorzienend waren.
Getrouwd werd er binnen de dorpsgemeenschap [Zie bijlage 8] of met bewoners van de buurtdorpen; op een enkele uitzondering na gebeurde dat met leden van de “eigen kaste”. Echtscheidingen kwamen nauwelijks voor. Als vrouwen in het kraambed of door een andere oorzaak stierven, hertrouwde de man kort daarna. De voornaamste reden hiervoor lijkt te zijn dat de takenbalans binnen het gezin verstoord was door het overlijden. En jonge weduwen met kinderen waren meestal genoodzaakt op korte termijn weer een kostwinner te zoeken.
Voor testamenten en koopakten die betrekking hebben op O21 moest in het West-Fries Archief meestal gezocht worden bij notarissen die te [Ooster]Blokker of Grootebroek resideerden. In de tweede helft van de negentiende eeuw werd zo nu en dan ook wel een beroep gedaan op een van de notarissen in Hoorn.
Een verschijnsel dat tegenwoordig in die vorm niet meer bestaat, was het familieberaad, dat plaatsvond onder leiding van een vrederechter. Dergelijke familiebijeenkomsten vonden in de negentiende eeuw plaats volgens de wet van 12 juni 1816. In familieberaden werden kwesties besproken rond rechten van heel of half verweesde minderjarige kinderen. Onderwerpen die aan de orde kwamen, waren bijvoorbeeld het aanstellen van een voogd of toeziend voogd, de toestemming voor een huwelijk, of een erfrechtzaak.
In de zeventiende en achttiende eeuw heeft zich in West-Friesland een aantal gebeurtenissen voorgedaan die zwaar gedrukt hebben op het economische en maatschappelijke leven.
Een van die gebeurtenissen was de watersnoodramp, de Allerheiligenvloed, waarbij op 1 november 1675 de Omringdijk bij Schardam doorbrak en een tweede doorbraak een paar maanden later die grote delen van Westfriesland onder (zout) water zette. Veel vee verdronk en in 1676 kon niet worden geoogst.
Gedurende de achttiende eeuw hadden de Westfriese boeren zoals hun collega’s elders in het land een aantal malen te lijden van de runderpest, met grote sterfte onder het vee. Dat was in de jaren 1713-1719, 1744-1754 en 1769-1771. In een paar maanden tijd kon door deze ziekte onder het vee een welgestelde boer tot armoe vervallen.
En altijd waren er weer de kosten van jaarlijkse herstelwerkzaamheden en verbeteringen aan de dijkwerken wegens zeebraak door stormen en watervloeden. En vanaf 1731 moesten de West-Friezen opdraaien voor extra-dijklasten. De paalwerken die de dijkbeschermende wierpakketten tegen de dijk op hun plaats moesten houden, bleken aangevreten te zijn door paalwormen. Ter vervanging van de balken kwamen er Drentse hunebedkeien en later Noorse steenblokken. In 1735 waren er per schip al 58.422 lasten steen aangevoerd.

In 1804 publiceerde C. Carbasius te Hoorn een ‘Advis’ aan het Gedeputeerd Bestuur van Holland waarin hij een beeld gaf van de ellendige omstandigheden waarin onder andere Oosterleek zich bevond. Hij wijst op de morgens landbouwgrond die de verhoging van de dijk in de jaren 1776 –’77 gekost heeft [alleen in Oosterleek al 5 morgen 355 roeden ], maar ook vermeldt hij de slechte toestand van de weilanden door de unjer [=heermoes] en de verzakking van het land . Bovendien noemt hij het bedrag waarop de verbetering van de zeedijken in Drechterland in 1803 begroot werd: ƒ 1.591.469 en wat dit aan dijklasten voor individuele inwoners tot gevolg had. Mede door de hier vermelde rampen en lasten liep het bevolkingsaantal in de achttiende eeuw terug. Volgens het cohier van de Verponding uit 1632 stonden er in dat jaar te Oosterleek 89 huizen, bij de verponding van 1731 was het aantal teruggelopen tot 45.

5. In 1638 vervaardigde landmeter Pieter van der Meersch een kaart van de Zeedijken langs Dregterlandt, bestaande uit tien bladen [West-Fries Archief, beeldbank]. Op blad G [WFA, beeldbank kaartblad 1m07] werden de Oosterleekse woningen langs de Zuiderdijk ingetekend. Bij de oprit naar de dijk en bij de Lekerhoek noteerde hij het aantal roeden dat de dijk lang was, gerekend vanaf Enkhuizen.
De tekst boven de toren luidt: “Vervolgh van de Hemdijck sijnde de Gou van Leeck ofte Oosterleeck”. De weg door het dorp heeft in de loop van de eeuwen nogal wat verschillende namen gehad.
In de zeventiende eeuw stond er kennelijk een groot aantal woningen langs de dijk. Een deel daarvan werd getekend als boerderij [met een kapberg]. De tekening van de kerk is gelijk aan die in Wervershoof, en zegt dus niets over de vorm van de voorganger van het tegenwoordige kerkje dat een steen draagt met het jaartal 1695. De plaats waar het op deze kaart werd getekend zegt ook niets over de plaats in de werkelijkheid, want in 1723 werd het even dicht bij de dijk getekend.
Langs de aarden dijk lag een wierriem die op zijn plaats werd gehouden door tamelijk dichtopeenstaande palen. Op de dijk een hek. Vanaf de Lekerhoek richting Wijdenes ligt met uitzondering van de eerste tientallen meters langs de aarden dijk geen wierdijk; daar stonden palen met aan de dijkzijde puin; en verder in zee stond een dubbel krabhoofd, versterkt met staketsels [=paalwerk tussen krabhoofd en dijk].

Bij de volkstelling van 1795 telde Oosterleek ca 100 inwoners. En in 1824 stonden in Oosterleek nog 34 gebouwde eigendommen, waarvan 26 woonhuizen. Met in 1821 106 inwoners.

Zoals andere West-Friezen zullen bij de rampspoed in de 18e eeuw veel Oosterlekers eieren voor hun geld gekozen hebben door als dagloner aan de slag te gaan, door in Hoorn of Enkhuizen aan te monsteren op schepen, door werk te zoeken in het nieuwe land in de Noord-Hollandse droogmakerijen waar ze niet gebukt hoefden te gaan onder zware dijklasten, of door te emigreren naar West-of Oost-Indië. Voor de laatste mogelijkheid zal niet vaak gekozen zijn omdat van Indiëgangers uit het gewone volk algemeen werd aangenomen dat er een vlekje aan zat.
Door de emigraties kwam er grond vrij tegen aantrekkelijke prijzen; van die situatie wisten lokale kapitaalkrachtigen, met name leden uit de families Heuvel, Haas, Bierhaalder en Kool, gebruik te maken. Maar ook durvers van elders, zoals de Roosen, van huis uit varensgezellen, gingen het avontuur als landman aan.

6. Op de manuscriptkaart van Govert Oostwoudt uit Hem is de Oosterleekse situatie ingetekend van ca. 1720. [WFA, beeldbank kaartblad 1r21.] Kerk en woningen in rode symbooltjes. De middelste van de drie kronkellijnen van ongeveer west naar oost duidt de weg aan op de dijk die de ban van Hem moest beschermen tegen de Zuiderzee. De cijfers aan de binnenzijde van de zeedijk geven om de vijftig roeden [± 195 m] de plaats aan waar in verband met het dijkbeheer en -onderhoud een genummerde paal stond. De cijfers buiten de dijk geven de diepte aan van de zee ter plaatse. Bij “56” ligt een krabhoofd [=paalwerk] voor het zwakke dijkgedeelte bij O21.

Ga nu door naar De locatie O21 tussen 1725 en 1823