Algemene begraafplaats te Venhuizen

De aanleg van de begraafplaats

Eerst een paar sfeerbeelden van de Algemene Begraafplaats aan de Kerkweg waar de fraai onderhouden hagen de hof compartimenteren peer gezindte.
Zelfs na de dood is niet iedereen gelijk.

Rechts staat een majestueuze vleugelnoot, in hei midden op de achtergrond rode beuken, en verspreid over de hof een aantal zuiltaxussen.


De begraafplaats werd aangeleg in de twintiger jaren van de negentiende eeuw.

De kadastrale kaart van ca 1830. minuutplan blad E01.
De begraafplaats op perc. 194a; het pad erheen op perc. 385a. Uit de toegevoegde “a” is af te leiden dat de percelen op de kadastrale kaart al opeenvolgende nummers gekregen hadden, voordat er besloten werd een gedeelte voor de begraafplaats en het pad erheen te kopen. De eerste wet op de lijkbezorging in Nederland is van 1828. Door de lettertoevoegingen was het niet moeilijk meer om het moment van stichting te vinden.
In de kadastrale legger OAT07121E008 regel 194 a staat in kolom 10 [Soort der eigendommen] het perceel aangeduid als “kerkhof”.
De toegangspoort van het pad vanaf de Kerkweg in 2018.

Uitgaande brieven met betrekking tot de begraafplaats in de jaren 1827-1833.[Westfries Arch. Toegang 1181, inv.nr.136 en 137]

De reactie van de Gemeente op de inventarisatie van de begraafcapaciteit door het Provinciebestuur. [Dit briefafschrift is te vinden in inv.nr. 136]
In januari 1828 wil het Gemeentebestiuur de boot afhouden en geeft het Provinciebestuur uitvoerige ïnformatie over het bevolkingsaantal van Venhuizen en Hem en de grootte en ligging [volgens de nieuwe wet buiten de bebouwde kom!] van de begraafplaatsen.
Het initiatief voor de aanleg van een Algemene begraafplaats kwam vanuit de Hervormde Kerk.

En men laat er geen gras over groeien: nog in januari wordt aan het Provinciebestuur goedkeuring gevraagd voor de aankoop van een peceel grond.

Over het inrichten van de begraafplaats van de R.C. parochie werd op 1 juni 1829 een brief gestuurd aan het Provinciebestuur.

De sloten aan de Kerkweg- en Westerkerkwegzijde

Op 22 maart 1833 stuurt het Gemeentebestuur een afschrift van de tarieven die voor de Algemene begraafplaats gelden aam het Provinciebestuur.

Onderhoud en renovatie in de twintigste eeuw.
Wat hier volgt, is gevonden in de College Notulen [WFA Toegang 1181 inv.nr. 18.]
19 mei 1905:
Schilderwerk van […] het hek langs de begraafplaats; en teerwerk aan het lijkenhuisje.
18 febr. 1907:
De afspraak om op 22 februari a.s.’s middags om 3 uur een bezoek aan de begraafplaats met alle Raadsleden.

Tegenwoordig worden zulke huisjes “baarhuisje” genoemd: er worden baren in opgeslagen. In de bovenstaande notulen is er steeds sprake van “lijkenhuisje”. In de loop van de negentiende eeuw gingen er verhalen van mensen die schijndood begraven waren. In testamenten werden zelfs maatregelen als uiterste wil geformuleerd, die door artsen genomen moesten worden om te voorkomen dat men niet echt dood begraven werd. Om die reden werd in de wet opgenomen dat het lijk enige dagen boven aarde moest staan. Vanwege de hygi├¬ne raakten toen de lijkenhuisjes in gebruik. Sinds er geen lijken meer in die huisjes worden gelegd, is de functie ervan veranderd in een opslagplaats van o. a. baren.

In de Raadsnotulen van 29 juli 1907 kun je een passage aantreffen over onderhoudskosten van de begraafplaats. [WFA, Toegang 1181 inv.nr.7.]


Het pad naar de parkeerplaats vanaf de Westerkerkweg.
Gezicht op het baarhuisje vanaf de parkeerplaats.



Op 9 augustus 1907 is in de Collegenotulen een kort verslag van de gedachtenwisseling over een te bouwen lijkenhuisje.[WFA, Toegang 1181 inv.nr.18.]

Op 23 augustus werd besloten een opdracht te geven voor de bouw van een lijkenhuisje en de afwerking van de begraafplaats.
Op 20 september staat in de notulen vermeld dat het College had besloten de wal van de begraafplaats aan de oostzijde met takkenbossen tegen wegspoelen te beveiligen.[WFA, Toegang 1181 inv.nr.18.]

Het toegangshek aan de parkeerplaatszijde.

De aanleg van en de veranderingen aan de twee eeuwen oude begraafplaats van VenHuizen en Hem vormen een onderwerp voor nader tuinhistorisch en cultuurhistorisch onderzoek.