Bekende Oosterleker

BO-er Jaap Balk [1912-1995]
Toen een pakketje brieven die bij de restauratie van het achttiende-eeuwse pand – voor Oosterlekers “het huisje van Opoe Balk” – in de container dreigde te verdwijnen, nam Annemarie Sjerps ze in bewaring en gaf ze aan mij ter inzage. Daarbij zat een brief van Jaap Balk die deze op 30 mei 1930 vanaf zijn nieuwe pensionadres Paternosterstraat 5a te Alkmaar aan zijn “Beste ouders!” heeft gestuurd.
Nieuwsgierigheid is een basishouding voor een journalist: Jaap is dan 18 jaar oud, aankomend journalist bij de “Alkmaarsche Courant” en gaat meteen zijn nieuwe omgeving verkennen.
“Hemelvaartsdag heb ik een wandeling gemaakt van Bergen tot bij Alkmaar, via Egmond, en langs de binnenkant van de duinen weer terug naar Bergen.”
In de brief meldt hij zijn ouders wat er die dag van zijn hand in de krant staat.[30 mei 1930, p.2 en 3]


Hoe ik weet dat dit anonieme stukje door hem geschreven is?
Hij vervolgt zijn brief met:
“Onderweg heb ik een drietal jonge kievitjes uit de sloot gevischt. Ik heb er een verhaaltje van geschreven dat heden in de krant staat.”

De jonge journalist heeft dan al een talent als chroniqueur: iets bijzonders zien in gewone dagelijkse dingen.
Hij weet spanning op te bouwen en vast te houden door telkens een klein stukje informatie meer vrij te geven. En door gebruik te maken van contrasten.
Hij leeft zich in in de gemoedstoestand van zijn hoofdpersonen: het geluid van het vogelouderpaar wordt door hem als ‘angstgeschrei’ uitgelegd. [Door een etholoog zal het waarschijnlijk anders gekwalificeerd worden.]
Een eigen beleving vertelt hij niet in de ik-vorm, maar maakt er een boven-persoonlijk verhaal van en beschrijft het als een beleving van een ‘wandelaar’. Daardoor doet het niet overdreven of sentimenteel aan.
In de brief geeft hij zijn impressie van de wandeltocht als volgt weer: “Langs de wegen was het eivol en er zijn ontzaglijk veel bezoekers in Bergen aan Zee geweest. Ikzelf heb vreeselijk gezweeten (mijn hemd) was doornat. Plus fours lijken me met zoo’n hitte een vreeselijke kleederdracht toe. Dan liever een blazer met een flanellen broek zooals Hollenkamp ze heeft”
In het krantenverhaaltje is het buitenjongetje herkenbaar dat had ervaren hoe kieviten naar je konden duiken als je te dicht bij hun nest kwam.


En de beeldspraak voor vleugeltjes “als zwaarden van een schip” kan waarschijnlijk alleen maar opkomen bij een jongen die vanaf de Westfriese Zuiderdijk op de Zuiderzee vaak vissers- en andere zeilschepen op zijn netvlies heeft gehad.

Zie ook:https://www.nrc.nl/nieuws/1995/09/12/jth-balk-1912-1995-westfries-en-amsterdammer-7280479-a730108/